[Inhoud] [Nieuws] [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7]

Jaargang 2, nummer 3, oktober 1998


De eerste jurist van Maastricht

JOB COHEN

door Jacques Herraets

Nee, ze liepen niet drie keer per dag zenuwachtig naar Studentenzaken om te zien of er wel genoeg aanmeldingen binnenkwamen. Juridische faculteiten hadden aan het begin van de jaren tachtig niet over belangstelling te klagen en zelfs een nieuwe faculteit met maar tien medewerkers en niet één collegezaal hoefde niet bang te zijn voor lege stoelen. "Op een gegeven ogenblik hoorden we wel dat de gemiddelde leeftijd van de studenten zo hoog was. Het leek erop dat de studenten gemiddeld ouder waren dan de medewerkers. Dat was niet zo, maar het kwam wel in de buurt."

Job Cohen was 33 jaar (nu dus 50) en werkzaam bij het bureau Onderzoek en Onderwijs van de Leidse Universiteit, toen hij het verzoek kreeg een nieuwe juridische faculteit te komen oprichten in Maastricht. Een jaar eerder had hij voor zijn collega's een excursie georganiseerd naar de jongste medische faculteit van het land en naar aanleiding daarvan een artikel geschreven in het Nederlands Juristenblad, samen met het hoofd van het bureau, Hans Crombag. Daarin pleitten de twee voor toepassing van de probleemgestuurde methode in het juridisch onderwijs. "Dat beschouwden ze in Maastricht als een welkom steuntje in de rug, twee Leidse juristen die zo positief waren over hun onderwijs. Ze wisten niet dat wij maar ergens in de marge van de universiteit werkten."
Toen minister Pais kort daarna Maastricht een juridische faculteit toezegde, viel de keuze voor de eerste Maastrichtse jurist op Cohen. Dat gebeurde op voorspraak van de Leidse hoogleraar Paul Thung, die gedeeltelijk in Maastricht was gedetacheerd om de faculteit der Gezondheidswetenschappen te helpen bij de opbouw. "Die heeft toen gezegd: je moet die Cohen nemen, die dat aardige stukje in het Juristenblad heeft geschreven".
'Die Cohen' zei dus ja, maar bedacht dat hij te jong was om alleen te komen. Hij trommelde een paar goede bekenden op: Cees Flinterman, met wie hij veel over onderwijsvernieuwing had gepraat en Jeppe Balkema, een oude studievriend uit Groningen. Zij kregen een plaats in de voorbereidingscommissie en terwijl die groep met haar werk bezig was, meldde zich een zekere Karl Dittrich bij Cohen: "Karl had twee goede argumenten om mee naar Maastricht te gaan, ik weet niet meer in welke volgorde hij ze gebruikte. Hij wilde dolgraag een nieuwe faculteit mee opzetten én wilde ooit in zijn leven voorzitter van MVV worden. Ik dacht: dat is een fantastische man, laat die vooral meegaan."
En zo gebeurde het dat het duo Cohen-Dittrich op een dag in september 1981 een kamer in het Jezu•etenklooster kreeg met voor ieder een bureau, een stoel en een telefoontoestel. Aan de andere kant van het gebouw zat de derde man van de pre-embryonale studierichting, Victor Rutgers, de secretaris van de Algemene Faculteit, destijds de kraamkamer van nieuwe studierichtingen. De juridische faculteit was geboren.

Proefstudenten op bestelling

"We kregen een jaar de tijd om het eerste studiejaar voor te bereiden en de nieuwe mensen aan te trekken. We hebben eindeloos met elkaar gepraat over blokboeken en over taken, terwijl niemand van ons een idee had of dat wel zou werken. Zo nu en dan bestelden we bij O&O, dat toen alleen nog in de medische faculteit zat, een stel studenten om eens te proberen hoe dat ging.'
Toen al kregen de opstellers van het studieprogramma te horen dat zij weliswaar veel aandacht besteedden aan het denk- en uitdrukkingsvermogen van hun studenten maar dat het echte juridische vakwerk van regels en wetten erbij inschoot.
Het verweer tegen dat soort kritiek was een van de stokpaardjes van Cohen: "Dat je goed kunt nadenken, dat je goed kunt redeneren en dat je je goed kunt uitdrukken, dat vind ik juist de essentie van het juridische vak. Een jurist doet de hele dag niks anders dan jongleren met taal. Als jij denkt 'ja maar, dat betekent toch dat' dan komt er weer zo'n wijsneus die je gaat uitleggen dat het allemaal toch net anders zit en dat die betekenis weer thuishoort in het hele systeem van het recht. Die systematiek hoort er natuurlijk bij en daar hebben we in het begin ook te weinig aandacht voor gehad, maar mijn belangrijkste punt was dat ik af wilde van die passiviteit in de juridische opleiding, dat uitstorten van teksten over grote zalen vol studenten. Ik dacht 'doe het nou zelf, ga zelf er achter aan'. Dat onderwijssysteem lag hier keurig klaar, wij hoefden het maar te kopiëren, inclusief de voortgangstoets. Daar hadden we toen eindeloze discussies over. Ik vind het nog steeds jammer dat die is afgeschaft."

Frisse wind

De discussies over de vorm en de inhoud van het onderwijs waren getekend door de tijdgeest. In de jaren zeventig was er een frisse wind door de rechtswetenschap gewaaid. Ze mocht niet meer het domein van starre letterknechten zijn, maar haar inspiratie zoeken in maatschappelijke ontwikkelingen, in redelijkheid en billijkheid. Recht was evenzeer zekerheid als onzekerheid. Ook daar werd ijverig over gediscussieerd in het eerste groepje docenten, herinnert Cohen zich: "Het ging eigenlijk meer over de kwestie hoe rechtsfilosofie, sociologie, criminologie met het positieve recht verbonden konden worden. We waren ervan overtuigd dat je er niets mee opschoot als je in iedere blok een rechtsfilosofisch taakje verstopte. We hebben ook wel hele discussies gehad over de vraag waar het nou over ging in de opleiding. Er was een duidelijk stroom die zei 'waar het om gaat is mensen kritisch en weerbaar te maken. Studenten moeten vooral het recht niet aannemen als iets van 'zo zit het in mekaar''. Het ging dus om het problematiseren van het recht. Gerard Mols was daar een antagonist van. Anderen vonden dat we gewoon goede juristen moesten opleiden, mensen die het rechtsstelsel beheersten en de vaardigheden hadden daarmee om te gaan. Dat soort discussies zal altijd wel blijven bestaan, mag ik hopen. Ik ben er steeds meer van overtuigd geraakt dat een van de belangrijkste taken van het onderwijs is mensen leren om te gaan met onzekerheden. Ik vind ook dat je ze tot op zekere hoogte zekerheden moet meegeven, dat je ze impliciet moet opvoeden in normen en waarden. Het belangrijkste in dit systeem is dat ze daar over leren discussi‘ren. Dit type onderwijs is ook ooit opgezet omdat er zoveel verandert in onze samenleving. Je kunt niet meer zeggen 'ik zal je eens uitleggen hoe het recht in mekaar zit, daar heb je dan je hele leven genoeg aan'. Het enige dat je zeker weet is dat het nu zo zit en dat het over vijf jaar weer anders is. Ik heb er nooit moeite mee gehad om tegen studenten te zeggen 'ik weet het niet, laten we het maar eens gaan uitzoeken', tenzij iemand me zou vragen wie de koningin van Nederland is."
Voor de eerste onderwijsgroep waren de docenten nog zenuwachtiger dan de studenten, herinnert Cohen zich. De eerder genoemde Gerard Mols was de eerste collega die hij na afloop tegenkwam: 'En, hoe ging het bij jou?' vroegen ze elkaar opgewonden. Het antwoord was eveneens identiek: 'fantastisch'.
"We hadden honderd studenten en tien docenten, voor ieder een groep van tien. Daar hebben we enorm veel energie in kunnen steken. Ik vond het ook een voordeel dat er zoveel ouderen tussen zaten. Die wisten waar ze het over hadden. Voor een vak als rechten is maatschappelijke ervaring belangrijk. In dit type onderwijs moet een student zichzelf prikkelen of geprikkeld worden door de taken. Een achttienjarige die net van de middelbare school komt, moet het hoofdzakelijk van de taken hebben. In latere lichtingen hebben we moeten vaststellen dat dat voor achttienjarigen niet genoeg is. Toen hebben we het onderwijs wat steviger moeten aanpakken, meer leiding moeten geven. In de eerste jaren was dat niet zo nodig omdat de discussie gemakkelijker op gang kwam.

Voor Cohen leek er na de opbouwfase een mooie toekomst weggelegd in de luwte van de wetenschap, ware het niet dat de faculteit zijn bestuurlijke capaciteiten niet kon missen. Hij kreeg weliswaar een leerstoel en mocht zich toen 'hoogleraar in het recht ten behoeve van juridische methoden en technieken en de ontwikkeling van juridisch onderwijs' noemen, maar zoals de benaming al doet vermoeden was dat een gelegenheidsbenoeming. "Ik zou decaan worden en daar moest je hoogleraar voor zijn, vandaar die leerstoel. Toen mijn eerste decanaat erop zat, ben ik bestuurlijk actief gebleven en ik werd al snel teruggeroepen, omdat het met mijn opvolger Hans Crombag niet goed afliep als decaan. Toen had ik wel het gevoel dat ik dit langer wilde doen. Hier blijf ik een tijdje zitten, dacht ik. Maar ja, daar kwam toen iets tussen."
Na herhaalde smeekbeden van de collega-decanen stelde Cohen zich beschikbaar voor het rectoraat. 'Ik dacht: dat doe ik drie jaar en dan ga ik terug naar de faculteit'. Ook daar kwam iets tussen, een telefoontje van de minister van onderwijs met het verzoek hem als staatssecretaris terzijde te staan. Had hij die benoeming te danken aan zijn oude studievriend Jacques Wallage of aan minister Jo Ritzen, die zich gaandeweg met steeds meer waardering uitliet over de Maastrichtse universiteit? 'Ik weet het niet. Daar heb ik ook nooit naar gevraagd, omdat ik het niet zo interessant vind om dat echt te weten. Misschien is het een combinatie geweest. Jacques Wallage kende ik inderdaad al heel lang. Het kan best dat die mij op een gegeven moment voorgesteld heeft. Ritzen kende ik zoals ieder lid van een College van Bestuur de minister kent. Iedereen beweerde dat hij een vriend van me was, maar dat was zeker niet zo. Hij was wel bijzonder ge•nteresseerd in wat er in Maastricht gebeurde. Op het departement is trouwens altijd met grote belangstelling naar Maastricht gekeken. Dat paste mooi in het totale beleid als ze tegen de andere universiteiten konden zeggen 'moeten jullie nou eens kijken wat ze doen in Maastricht: hetzelfde als jullie, met evenveel geld, en moet je eens zien wat een verschil in resultaten. Jullie doen het dus niet goed'.

In plaats van minister van onderwijs te worden in het eerste kabinet-Kok gaf hij de voorkeur aan een terugkeer naar Maastricht om daar weer rector magnificus te worden en tussen de bedrijven door zijn kinderen te zien opgroeien. Vorig jaar, ruim voor het einde van zijn ambtstermijn, liet hij weten dat hij de universiteit ging verlaten. Toen was ook duidelijk dat hij niet opnieuw nee zou zeggen als hij voor Paars II zou worden gepolst. "Ik heb gezegd dat ik dat jaar als staatssecretaris van onderwijs ontzettend interessant vond en dat ik het graag zou doen als het nog eens op mijn weg zou komen. Maar vier jaar geleden kwam het niet uit."
Toch leek het alsof hij in augustus, toen formateur Kok een zijn tweede kabinet aan het samenstellen was, opnieuw om privé-redenen nee zou zeggen. Dat meldde althans NRC Handelsblad. "Dat heb ik ook gelezen, maar dat was gewoon niet waar. Dat zijn leugens in de krant. Er was ook maar één krant die dat gemeld heeft. Voorzover ik weet ben ik deze keer geen kandidaat voor onderwijs geweest, de PvdA heeft helemaal geen Onderwijs gekregen. Er waren wel op een aantal andere plaatsen mogelijkheden voor me. Staatssecretaris van justitie was er één van, en daar zit ik nu."
Wie een beetje heeft opgelet wist dat Justitie het favoriete departement was van Job Cohen, ook al valt daar het vluchtelingenbeleid onder, met Schiphol het lastigste en ondankbaarste probleem waar een bewindsman/vrouw mee te maken kan krijgen. Cohen beaamt dat: "Justitie leek mij zeer aantrekkelijk, maar dit is natuurlijk een razend lastige en ondankbare portefeuille, omdat het probleem zo ingewikkeld is dat je er nauwelijks goed uit kan komen. Maar aan de andere kant is het een ontzettend belangrijke portefeuille waar je echt je tanden in moet zetten."
Dat hij opnieuw staatssecretaris is geworden en geen minister kan hem volgens eigen zeggen niets schelen: "Ik beschouw meedoen in de regering als een kans waar ik op gehoopt had. Dat ik die kans nu krijg, stemt mij zeer tevreden. En ach, als ik die ministers bezig heb gezien met dag in, dag uit die enorme stapels stukken, ook van andere departementen, dan voel ik me eerder opgelucht. Toen ik Klaas de Vries laatst zag met zo'n enorme stapel, zei ik tegen hem: 'dan had je maar staatssecretaris moeten worden'. Toen keek hij me grijnzend aan."
Toen de nieuwslezer enkele maanden geleden aan de parlementaire verslaggever vroeg of Kok al een opvolger op het oog had, antwoordde de verslaggever dat er wel een naam genoemd werd: 'je moet hem maar meteen vergeten nadat ik hem heel zachtjes heb gefluisterd: Job Cohen. Die weet van niets: 'Het eerste deel van die zin was buitengewoon verstandig. Dat soort geklets, en de vraag of ik het nou wel of niet goed met Kok kan vinden, doet er helemaal niets toe, want als puntje bij paaltje komt, gaat Kok daar niet eens over."

       [Bovenkant pagina]